Sterrenkijkers

Sterrenkijkers

Tijdens de jaarwisseling stond ik bij mijn ouders in de huiskamer naar het vuurwerk te kijken.
Vanachter het raam. Zoals wij dat altijd doen. Wij zijn meer een kijk- dan een afsteekfamilie. Liefst met wat afstand, veilig binnen, terwijl anderen het licht de lucht in schieten.

Terwijl ik daar stond, dacht ik aan mijn oma.

Vijftien jaar geleden zat zij voor dat raam. Met oud en nieuw moest zelfs het licht van de kerstboom uit, want ze wilde het goed zien. Het vuurwerk hoorde bij het moment. Het was iets om naar te kijken, om samen te beleven, al was het vanachter glas.

Ze keek naar het vuurwerk zoals je naar iets feestelijks kijkt. Naar licht dat even opvlamt en weer verdwijnt. En steevast zei ze, als het even rustig was: zo, nu eten ze allemaal een oliebol. Alsof het een soort buurtfeest was, waarin iedereen meedeed, ieder op zijn eigen plek.

In haar tijd was oud en nieuw vooral dat: een feest. Iets gezamenlijks. Iets om even bij stil te staan, letterlijk.

Ik denk dat ze het jammer had gevonden als dat kijken niet meer kon. Maar ik denk ook dat ze had begrepen dat het zo niet kon blijven. Dat vuurwerk voor de mooi iets anders is dan vuurwerk om mee te bekogelen. Dat wat ooit licht was, ook donker kan worden, en dat afstand soms geen kilte is, maar wijsheid.

In de laatste jaren van haar leven zat ze vaak op haar stoel voor het raam van haar eigen huis. Niet alleen kijkend, maar vooral ook zwaaiend. Naar kinderen op de fiets, buren met de hond, mensen die ze soms niet eens kende. Ze zwaaide. En opvallend vaak werd er teruggezwaaid. Alsof ze, zonder woorden, zei: ik zie je.

Vandaag vieren we Epifanie, Driekoningen. Het verhaal van de wijzen uit het oosten die een ster zien en zich daardoor laten bewegen. Ook zij waren sterrenkijkers. Mensen die hun ogen niet afwendden van wat zich liet zien. Ze zagen iets oplichten aan de hemel en besloten het serieus te nemen.

Wat mij raakt in dat verhaal, is niet zozeer de bestemming, maar het moment ervoor. Het ogenblik waarop kijken niet genoeg meer is. Waarop zien vraagt om beweging. Om vertrouwen. Om het volgen van iets dat je niet zelf hebt bedacht, maar dat zich aan je voordoet.

In de kerk noemen we dat vaak een roeping. We denken dan al snel aan grote woorden en grote keuzes. Aan het roer omgooien. Aan alles anders doen. Maar misschien begint roeping wel veel kleiner. Dichterbij. In aandacht.

Ik ontmoette het afgelopen jaar een meubelmaker die over zijn werk sprak met zo’n toewijding dat ik bijna een cursus meubelmaken overwoog – tot ik me realiseerde dat ik daar het geduld echt niet voor heb. Zonder grote woorden was daar iets voelbaar. Alsof hij precies wist: dit is wat ik te doen heb.

Het begin van een nieuw jaar roept bij veel mensen vragen op. Wat wil ik? Waar ga ik naartoe? Wat moet er anders? Soms kunnen die vragen onrustig maken, alsof alles tegelijk besloten moet worden.

Het verhaal van Driekoningen nodigt uit tot een andere manier van kijken. Niet meteen de vraag: wat wil ik? Maar: wat dient zich aan? Waar gaat mijn aandacht vanzelf naartoe? Wat raakt me, zonder dat ik er moeite voor hoef te doen?

Misschien begint het niet met een groot besluit, maar met werkelijk zien. Met de bereidheid om te kijken naar wat zich aandient. Naar mensen. Naar werk. Naar kleine momenten van vreugde of betrokkenheid.

Er zijn roepingen die vragen om een ster te volgen naar een verre, onbekende bestemming. En er zijn roepingen die vragen om te blijven waar je bent. Om daar van betekenis te zijn.

Mijn oma noemde het geen roeping.
Ze zwaaide gewoon.
En de wereld zwaaide terug.